Nehemia 7:66
Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
64Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.
65Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.
66Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
67Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
68Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
69Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;
40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
72En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.
35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.
36De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig.
11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.
27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.
30In het drie en twintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd.
1Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.
39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.