Nehemia 7:14

Statenvertaling (States Bible)

De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ezra 2:9 : 9 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ezra 2:7-10
    4 verzen
    94%

    7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

    8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.

    9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

    10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

  • Neh 7:7-13
    7 verzen
    87%

    7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.

    8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

    9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;

    10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;

    11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;

    12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

    13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;

  • Neh 7:15-23
    9 verzen
    83%

    15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;

    16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;

    17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;

    18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;

    19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;

    20De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;

    21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;

    22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;

    23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;

  • Neh 7:36-39
    4 verzen
    77%

    36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;

    37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;

    38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;

    39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;

  • Neh 7:42-43
    2 verzen
    76%

    42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;

    43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;

  • 31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • Neh 7:59-60
    2 verzen
    75%

    59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

    60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • 62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

  • 46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

  • 1 Kron 7:4-5
    2 verzen
    75%

    4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.

    5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.

  • Neh 7:28-29
    2 verzen
    75%

    28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;

    29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;

  • Neh 7:66-67
    2 verzen
    74%

    66Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;

    67Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.

  • 3Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig.

  • 54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

  • 14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.

  • 40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.

  • 5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.

  • 14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.

  • 14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.

  • 25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

  • 26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;

  • 27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

  • 27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.

  • 51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;