Ezra 2:14

Statenvertaling (States Bible)

De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ezra 8:14 : 14 En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.
  • Neh 7:19 : 19 De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Neh 7:10-20
    11 verzen
    87%

    10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;

    11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;

    12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

    13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;

    14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;

    15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;

    16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;

    17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;

    18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;

    19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;

    20De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;

  • Ezra 2:2-13
    12 verzen
    83%

    2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

    3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

    4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.

    5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.

    6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.

    7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

    8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.

    9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

    10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.

    11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.

    12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.

    13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.

  • Ezra 2:15-17
    3 verzen
    81%

    15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.

    16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.

    17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.

  • Ezra 2:29-31
    3 verzen
    80%

    29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.

    30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.

    31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

  • 14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.

  • 60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.

  • 37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.

  • Neh 7:7-8
    2 verzen
    76%

    7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.

    8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

  • Ezra 2:24-26
    3 verzen
    75%

    24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.

    25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

    26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.

  • 58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

  • Ezra 2:33-35
    3 verzen
    75%

    33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.

    34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.

    35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.

  • Ezra 2:19-22
    4 verzen
    74%

    19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.

    20De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.

    21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

    22De mannen van Netofa, zes en vijftig.

  • 40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;

  • 62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

  • 34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

  • 52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;