Ezra 2:29
De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.
14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.
16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
20De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;
50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;
54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
25De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;