Nehemia 7:56

Statenvertaling (States Bible)

De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ezra 2:46-57
    12 verzen
    94%

    46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;

    47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;

    48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;

    49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;

    50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;

    51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

    52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

    53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

    54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.

    55De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;

    56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;

    57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.

  • Neh 7:45-55
    11 verzen
    81%

    45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;

    46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

    47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;

    48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;

    49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

    50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;

    51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;

    52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;

    53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

    54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

    55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

  • Neh 7:57-59
    3 verzen
    80%

    57De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;

    58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;

    59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

  • Ezra 2:43-44
    2 verzen
    76%

    43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

    44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;

  • Neh 7:6-9
    4 verzen
    74%

    6Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;

    7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.

    8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

    9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;

  • 62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.

  • 29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.

  • 7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,

  • Neh 7:13-14
    2 verzen
    73%

    13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;

    14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;

  • Neh 7:17-18
    2 verzen
    72%

    17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;

    18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;

  • 22De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes.

  • 24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;

  • 6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,

  • 4Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;

  • 9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.

  • 27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

  • 60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.

  • 37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;

  • 3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

  • 18Hodia, Hasum, Bezai,

  • 24En Hananja, en Elam, en Antothija,