Nehemia 7:55
De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
55De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;
56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
57De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
45De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;
49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.
14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.