Ezra 2:18
De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
20De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
39De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
12En van de kinderen van Azgad, Johanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien manspersonen.
9En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiel; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.