Ezra 2:44
De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
57De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.
43De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
45De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub;
46De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
48De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;
49De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai;
50De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
52De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
53De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
54De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.
55De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;
56De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
59Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren.
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
61En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
4Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;