Ezra 2:31
De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
13De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig.
14De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.
15De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.
16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
39De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
4Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehoenai, van de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen.
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
44De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon;
20De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,