Nehemia 10:18

Statenvertaling (States Bible)

Hodia, Hasum, Bezai,

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ezra 2:17-70 : 17 De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig. 18 De kinderen van Jora, honderd en twaalf. 19 De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig. 20 De kinderen van Gibbar, vijf en negentig. 21 De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig. 22 De mannen van Netofa, zes en vijftig. 23 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. 24 De kinderen van Azmaveth, twee en veertig. 25 De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig. 26 De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig. 27 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig. 28 De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig. 29 De kinderen van Nebo, twee en vijftig. 30 De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig. 31 De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 32 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig. 33 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig. 34 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig. 35 De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig. 36 De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig. 37 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig. 38 De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig. 39 De kinderen van Harim, duizend en zeventien. 40 De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig. 41 De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig. 42 De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig. 43 De Nethinim. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 44 De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon; 45 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub; 46 De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan; 47 De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja; 48 De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam; 49 De kinderen van Uza, de zonen van Paeah, de kinderen van Bezai; 50 De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefusim; 51 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 52 De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 53 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 54 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa. 55 De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda; 56 De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; 57 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami. 58 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. 59 Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren. 60 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig. 61 En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. 62 Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. 63 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim. 64 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig. 65 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen. 66 Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; 67 Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig. 68 En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats. 69 Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken. 70 En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.
  • Neh 7:22-73 : 22 De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig; 23 De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig; 24 De kinderen van Harif, honderd en twaalf; 25 De kinderen van Gibeon, vijf en negentig; 26 De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig; 27 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig; 28 De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig; 29 De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig; 30 De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig; 31 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig; 32 De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig; 33 De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig; 34 De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig; 35 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig; 36 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig; 37 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig; 38 De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig; 39 De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig; 40 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig; 41 De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig; 42 De kinderen van Harim, duizend en zeventien; 43 De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig; 44 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig; 45 De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig; 46 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 47 De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon; 48 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai; 49 De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar; 50 De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda; 51 De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah; 52 De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim; 53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 54 De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 55 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 56 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa; 57 De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida; 58 De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; 59 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon; 60 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. 61 Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren; 62 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig. 63 En van de priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was. 64 Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. 65 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim. 66 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig; 67 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen. 68 Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; 69 Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig. 70 Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken. 71 En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden. 72 En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken. 73 En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans Israel, woonden in hun steden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Neh 10:19-26
    8 verzen
    86%

    19Harif, Anathoth, Nebai,

    20Magpias, Mesullam, Hezir,

    21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,

    22Pelatja, Hanan, Anaja,

    23Hosea, Hananja, Hassub,

    24Hallohes, Pilha, Sobek,

    25Rehum, Hasabna, Maaseja,

    26En Ahia, Hanan, Anan,

  • Neh 10:10-17
    8 verzen
    83%

    10En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,

    11Micha, Rehob, Hasabja,

    12Zakkur, Serebja, Sebanja,

    13Hodia, Bani, Beninu;

    14De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,

    15Bunni, Azgad, Bebai,

    16Adonia, Bigvai, Adin,

    17Ater, Hizkia, Azzur,

  • Neh 10:2-7
    6 verzen
    77%

    2Seraja, Azarja, Jeremia,

    3Pashur, Amarja, Malchia,

    4Hattus, Sebanja, Malluch,

    5Harim, Meremoth, Obadja,

    6Daniel, Ginnethon, Baruch,

    7Mesullam, Abia, Mijamin,

  • Neh 11:32-34
    3 verzen
    77%

    32Anathoth, Nob, Ananja,

    33Hazor, Rama, Gitthaim,

    34Hadid, Zeboim, Neballat,

  • 77%

    36Vanja, Meremoth, Eljasib,

    37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,

    38En Bani, en Binnui, Simei,

    39En Selemja, en Nathan, en Adaja,

    40Machnadbai, Sasai, Sarai,

  • Neh 12:18-19
    2 verzen
    76%

    18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;

    19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;

  • 33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

  • 28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,

  • 75%

    27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

    28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.

  • 18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.

  • Neh 12:5-6
    2 verzen
    75%

    5Mijamin, Maadja, Bilga,

    6Semaja, en Jojarib, Jedaja,

  • 24En Hananja, en Elam, en Antothija,

  • 20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.

  • 12Johanan de achtste; Elzabad de negende;

  • 30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 10Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,

  • 18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

  • 22En van de kinderen van Pashur: Eljoenai, Maaseja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Elasa.

  • 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

  • 10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

  • 10Voorts aan hun hand verbeterde Jedaja, de zoon van Herumaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasabneja.