Jozua 13:18
En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;
80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,
81En Hesbon en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.
17Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
20En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
21En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath.
9Van Aroer aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe;
10En al de steden van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Ammons;
11En Gilead, en de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten, en den gansen berg Hermon, en gans Bazan, tot Salcha toe;
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
27En in het dal, Beth-haram, en Beth-nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, den koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde der zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
26En Mizpa, en Chefira, en Moza,
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
35En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
23En Haavvim, en Para, en Ofra,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
18Hodia, Hasum, Bezai,
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
30Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jair, die in Bazan zijn, zestig steden.
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,