Jozua 18:22
En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,
23En Haavvim, en Para, en Ofra,
24Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.
25Gibeon, en Rama, en Beeroth,
26En Mizpa, en Chefira, en Moza,
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
28En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders haar dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29Baala, en Ijim, en Azem,
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
4En Eltholad, en Bethul, en Horma,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
36En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.
61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
22En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,
23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
17En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
22En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.
2En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.