Jozua 19:3
En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29Baala, en Ijim, en Azem,
30En Eltholad, en Chesil, en Horma,
4En Eltholad, en Bethul, en Horma,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
36En Adama, en Rama, en Hazor,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
18En hun landpale was Jizreela, en Chesulloth, en Sunem,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
21De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
33Hazor, Rama, Gitthaim,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
17Ater, Hizkia, Azzur,
18Hodia, Hasum, Bezai,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
26En Mizpa, en Chefira, en Moza,
41En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,
42En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
20Magpias, Mesullam, Hezir,
25En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
26En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
2En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,