Nehemia 11:29
En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
32Anathoth, Nob, Ananja,
33Hazor, Rama, Gitthaim,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
25In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,
30En Eltholad, en Chesil, en Horma,
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
34En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
27Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
29En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeelieten waren, en tot die, welke in de steden der Kenieten waren,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
35De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,
36En Adama, en Rama, en Hazor,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
26En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
3Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.
41En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.