Jozua 15:30
En Eltholad, en Chesil, en Horma,
En Eltholad, en Chesil, en Horma,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
4En Eltholad, en Bethul, en Horma,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
30En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29Baala, en Ijim, en Azem,
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
39Lachis, en Bozkath, en Eglon,
40En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
42Libna, en Ether, en Asan,
45Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.
36En Adama, en Rama, en Hazor,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
3De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
34Hadid, Zeboim, Neballat,
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
43En Elon, en Timnatha, en Ekron,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
50En Anab, en Estemo, en Anim,
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
45Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
6En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.
17Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.
61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;