1 Kronieken 4:29
En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
4En Eltholad, en Bethul, en Horma,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29Baala, en Ijim, en Azem,
30En Eltholad, en Chesil, en Horma,
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
39En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
29En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeelieten waren, en tot die, welke in de steden der Kenieten waren,
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
4Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.
5En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
27En Hadoram, en Usal, en Dikla,
22En Ebal, en Abimael, en Scheba,
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
7En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.
25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
36En Adama, en Rama, en Hazor,
33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.