Nehemia 11:26
En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
21De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
17Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
20En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;
25In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden,
23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;
42En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
35En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,
36En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.
25Gibeon, en Rama, en Beeroth,
26En Mizpa, en Chefira, en Moza,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
27Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;
61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
2En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
26En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;