Jozua 19:42
En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
43En Elon, en Timnatha, en Ekron,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
41En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Semes,
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
39Lachis, en Bozkath, en Eglon,
18En hun landpale was Jizreela, en Chesulloth, en Sunem,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
69En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
14En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
42Libna, en Ether, en Asan,
43En Jiftah, en Asna, en Nezib,
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
25En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
26En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;
27En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
14En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden;
18Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
42Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
26Amam, en Sema, en Molada,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,