Jozua 21:42
Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.
Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
39Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
40Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden.
41Al de steden der Levieten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren acht en veertig steden en haar voorsteden.
6De steden nu, die gij aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult, opdat de doodslager daarheen vliede; en boven dezelve zult gij hun twee en veertig steden geven.
7Al de steden, die gij aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden.
8De steden, die gij van de bezitting der kinderen Israels geven zult, zult gij van dien, die vele heeft, vele nemen, en van dien, die weinig heeft, weinige nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
26Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
32En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.
33Al de steden der Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden.
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
19Al de steden der kinderen van Aaron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden.
20De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraim.
2En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaan, zeggende: De HEERE heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.
3Daarom gaven de kinderen Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond des HEEREN, deze steden en de voorsteden derzelve.
4Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aaron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.
5En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraim, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden.
35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
64Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.
2Gebied den kinderen Israels, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden rondom dezelve.
3En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun have, en voor al hun gedierte,
4En de voorsteden der steden, die gij aan de Levieten zult geven, zullen van den stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.
7Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.
8Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk de HEERE geboden had door den dienst van Mozes.
9Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde;
12Maar het veld der stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijn bezitting.
13Alzo gaven zij aan de kinderen van den priester Aaron de vrijstad des doodslagers, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden;
14En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden;
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
43Alzo gaf de HEERE aan Israel het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven, en zij beerfden het, en woonden daarin.
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
21Ditzelve land nu zult gij ulieden uitdelen naar de stammen Israels.
5Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendelen gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.
25Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
4Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraim; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.
56Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne.
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
23Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
42En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
15Alzo zult gij aan alle steden doen, die zeer verre van u zijn, die niet zijn van de steden dezer volken.
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
30En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.