Jozua 21:35
Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
32En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.
33Al de steden der Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden.
34Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van den stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden;
36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
39Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
40Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden.
41Al de steden der Levieten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren acht en veertig steden en haar voorsteden.
42Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
26Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
16Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen.
14En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden;
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
7Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
57Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
9Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde;
34Hadid, Zeboim, Neballat,
76En van den stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
39Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
22En Kina, en Dimona, en Adada,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
4Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aaron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.
5En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraim, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden.
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
7Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
30En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
35De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.