1 Kronieken 4:31
En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
32En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,
29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
7Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
36En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.
7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
27Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,
28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
31En tot die te Hebron, en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen.
33Hazor, Rama, Gitthaim,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
25Gibeon, en Rama, en Beeroth,
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
16En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.
32En Mikloth gewon Simea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.