Jozua 19:38
En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
39Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
4En Eltholad, en Bethul, en Horma,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
7Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
22En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-Semes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen.
23Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
14En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
16Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen.
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
18En hun landpale was Jizreela, en Chesulloth, en Sunem,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
30En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.
31Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.
60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
24Chefar-haammonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.
39Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
48Dit is het erfdeel van de stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
35De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,
19Harif, Anathoth, Nebai,
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
19Al de steden der kinderen van Aaron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden.
25En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
36En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.
35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.