Jozua 21:15
En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.
16En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
17En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
18Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.
23En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;
24Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.
25En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
26Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.
48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,
50En Anab, en Estemo, en Anim,
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.
30En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
14En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden;
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
57Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
60Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
35Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.
36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
37Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
15En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
42Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.
21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.
11En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.
39Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
21De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,
11Zo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van Anok (zij is Hebron), op den berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar.
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
21En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.