Jozua 15:25
En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29Baala, en Ijim, en Azem,
30En Eltholad, en Chesil, en Horma,
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
33Hazor, Rama, Gitthaim,
34Hadid, Zeboim, Neballat,
35De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,
36En Adama, en Rama, en Hazor,
37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
3En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.
18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
25En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
16Hamath, Berotha, Sibraim, dat tussen de landpale van Damaskus en tussen de landpale van Hamath is; Hazar Hattichon, dat aan de landpale van Havran is.
15En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
17Ater, Hizkia, Azzur,
18Hodia, Hasum, Bezai,
75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
28En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.
17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.
42Libna, en Ether, en Asan,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
25Gibeon, en Rama, en Beeroth,
19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
10En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.
20Magpias, Mesullam, Hezir,
19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;