1 Kronieken 24:15
Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel,
17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,
18Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maazja.
7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
11Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,
14Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,
17Ater, Hizkia, Azzur,
18Hodia, Hasum, Bezai,
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
28Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
20Magpias, Mesullam, Hezir,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
23Hosea, Hananja, Hassub,
24Hallohes, Pilha, Sobek,
19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
10De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraim; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
11De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
2Amarja, Malluch, Hattus,
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
18En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaaziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maaseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, de poortiers.
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;
16De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig.
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.