1 Kronieken 23:19
Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.
20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.
2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.
31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;
9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
15De zonen van Josia nu waren dezen: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
10Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
25De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.
22Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.
23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.
9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
8De kinderen van Ladan waren dezen: Jehiel, het hoofd, en Zetham, en Joel; drie.
27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,
11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;