1 Kronieken 23:19

Statenvertaling (States Bible)

Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kron 24:23 : 23 En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
  • 1 Kron 15:9 : 9 Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
  • 1 Kron 23:12 : 12 De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 96%

    22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.

    23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.

  • 79%

    10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

    11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

    12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.

  • 20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.

  • 77%

    2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,

    3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

    4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.

  • 31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.

  • 10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

  • 9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

  • 19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,

  • 15De zonen van Josia nu waren dezen: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.

  • 29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.

  • 18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.

  • 10Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,

  • 11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 73%

    3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

    4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;

  • 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

  • 25De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.

  • 19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

  • 5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.

  • 73%

    22Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 23En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam; drie.

  • 23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.

  • 9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.

  • 11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

  • 24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

  • 26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

  • 4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 72%

    7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,

    8Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,

  • 21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

  • 14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,

  • 8De kinderen van Ladan waren dezen: Jehiel, het hoofd, en Zetham, en Joel; drie.

  • 27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.

  • 6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.

  • 14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.

  • 19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;

  • 18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.

  • 34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,

  • 11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;