1 Kronieken 23:20

Statenvertaling (States Bible)

Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 83%

    23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.

    24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;

    25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.

  • 78%

    18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.

    19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.

  • 3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.

  • 2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,

  • 2En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en Michael, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van Israel.

  • 75%

    10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

    11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

    12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.

  • 22En Aaron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

  • 21De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.

  • 73%

    18Over Juda was Elihu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;

    19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

  • 11Micha, Rehob, Hasabja,

  • 21En van de kinderen van Harim: Maaseja, en Elia, en Semaja, en Jehiel, en Uzia,

  • 16En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.

  • 37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.

  • 10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

  • 21Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.

  • 40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,

  • 71%

    13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.

    14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.

  • 71%

    34En Jonathans zoon was Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

    35De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.

  • 71%

    13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;

    14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;

  • 71%

    40En Jonathans zoon van Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

    41De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.

  • 9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,

  • 6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.

  • 26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

  • 19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;

  • 23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,

  • 70%

    19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,

    20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

  • 35En van de priesters kinderen met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Matthanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;

  • 22En der Levieten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasabja, den zoon van Matthanja, den zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers tegenover het werk van Gods huis.

  • 5En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.

  • 19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.

  • 15En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;

  • 15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.

  • 6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;

  • 29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.

  • 23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.