1 Kronieken 24:21
Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.
Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Van de kinderen van Gersom was Sebuel het hoofd.
17De kinderen van Eliezer nu waren dezen: Rehabja het hoofd; en Eliezer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste.
18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.
20Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Subael, van de kinderen van Subael was Jechdeja.
22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.
25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
5En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
21Van de kinderen van Ladan, kinderen van den Gersonieten Ladan; van Ladan, den Gersoniet, waren hoofden der vaderen Jehieli.
19Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
20Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
21De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.
21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.
7Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.
13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
21En van de kinderen van Harim: Maaseja, en Elia, en Semaja, en Jehiel, en Uzia,
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
17Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
11Micha, Rehob, Hasabja,
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
4Iddo, Ginnethoi, Abia,
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.