1 Kronieken 25:19

Statenvertaling (States Bible)

Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 87%

    20Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    21Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    22Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    23Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    25Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    26Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

    28Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    29Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    31Het vier en twintigste voor Romamthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 84%

    9Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broederen, en zijn zonen, waren twaalf.

    10Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    12Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    13Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    16Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    17Het tiende voor Simei; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

    18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;

  • 20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.

  • 11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

  • 19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.

  • 45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,

  • 17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;

  • Neh 10:11-12
    2 verzen
    73%

    11Micha, Rehob, Hasabja,

    12Zakkur, Serebja, Sebanja,

  • 14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

  • 11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • Neh 12:18-19
    2 verzen
    72%

    18Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;

    19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;

  • 33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

  • 15En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, den zoon van Buni.

  • 21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.

  • Neh 11:12-13
    2 verzen
    72%

    12En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchia;

    13En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;

  • 25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

  • 15Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,

  • 25En Jifdeja, en Pnuel waren zonen van Sasak.

  • 72%

    10Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,

    11Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja,

    12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,

    13Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab,

  • 8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.

  • 6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.

  • 10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.

  • 4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.