Nehemia 10:11
Micha, Rehob, Hasabja,
Micha, Rehob, Hasabja,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
13Hodia, Bani, Beninu;
10En hun broederen: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,
17Ater, Hizkia, Azzur,
18Hodia, Hasum, Bezai,
19Harif, Anathoth, Nebai,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
22Pelatja, Hanan, Anaja,
23Hosea, Hananja, Hassub,
24Hallohes, Pilha, Sobek,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
26En Ahia, Hanan, Anan,
7Mesullam, Abia, Mijamin,
36Vanja, Meremoth, Eljasib,
37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
38En Bani, en Binnui, Simei,
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
41Azareel, Selemja, Semarja,
14Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;
15En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;
3Sechanja, Rehum, Meremoth,
2Seraja, Azarja, Jeremia,
3Pashur, Amarja, Malchia,
4Hattus, Sebanja, Malluch,
5Harim, Meremoth, Obadja,
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.
30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
32Benjamin, Malluch, Semarja.
33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.
34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;
35En van de priesters kinderen met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Matthanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
5Mijamin, Maadja, Bilga,
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
14Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;
17Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai;
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;