1 Kronieken 24:25
De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.
De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
35En van de priesters kinderen met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Matthanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;
2En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en Michael, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van Israel.
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
18Over Juda was Elihu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
34En Jonathans zoon was Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.
35De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
2Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniel de vierde,
5En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Siloni.
9Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
21Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.
3En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.
16En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
10Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
26De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.
27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
15En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,
40En Jonathans zoon van Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.
41De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.
26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
3Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig.
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
22En Aaron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
12Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
21En van de kinderen van Harim: Maaseja, en Elia, en Semaja, en Jehiel, en Uzia,
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.