1 Kronieken 24:29

Statenvertaling (States Bible)

Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 30En de kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jerimoth. Dezen zijn de kinderen der Levieten, naar hun vaderlijke huizen.

  • 76%

    18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.

    19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.

    20Aangaande de kinderen van Uzziel: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede.

    21De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.

  • 9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

  • 76%

    20Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Subael, van de kinderen van Subael was Jechdeja.

    21Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.

    22Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath.

    23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.

    24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;

    25De broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja.

    26De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.

    27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.

    28Van Maheli was Eleazar; en die had geen kinderen.

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.

  • 71%

    41En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.

    42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

  • 45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.

  • 71%

    10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.

    11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • 27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.

  • 71%

    39En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaal.

    40En Jonathans zoon van Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

  • 24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

  • 33Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal.

  • 23De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie.

  • 49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.

  • 19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;

  • 43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

  • 29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei; zijn zoon Uzza;

  • 6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;

  • 21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

  • 29En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeelieten waren, en tot die, welke in de steden der Kenieten waren,

  • 16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

  • 24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.

  • 25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

  • 31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.

  • 20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,

  • 24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

  • 30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.

  • 19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.

  • 26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,

  • 31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.

  • 7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;