1 Samuël 30:29

Statenvertaling (States Bible)

En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeelieten waren, en tot die, welke in de steden der Kenieten waren,

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Richt 1:16 : 16 De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
  • 1 Sam 27:10 : 10 Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.
  • 1 Sam 15:6 : 6 En Saul liet den Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israels, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzo weken de Kenieten uit het midden der Amalekieten.
  • 1 Sam 23:19 : 19 Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibea, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op den heuvel van Hachila, die aan de rechterhand der wildernis is?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 84%

    27Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,

    28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,

  • 78%

    30En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach,

    31En tot die te Hebron, en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen.

  • Gen 15:19-21
    3 verzen
    73%

    19Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

    20En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

    21En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

  • 16De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.

  • Joz 15:30-33
    4 verzen
    71%

    30En Eltholad, en Chesil, en Horma,

    31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,

    32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.

    33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,

  • 10Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.

  • 55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

  • Neh 11:27-30
    4 verzen
    70%

    27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,

    28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,

    29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,

    30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.

  • 27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,

  • 29Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.

  • 29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.

  • 70%

    29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,

    30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,

  • 33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.

  • Joz 15:59-60
    2 verzen
    69%

    59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.

    60Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.

  • 25In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;

  • 4Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde;

  • 9Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.

  • 29Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.

  • 28En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.

  • Joz 19:35-37
    3 verzen
    69%

    35De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth,

    36En Adama, en Rama, en Hazor,

    37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,

  • 21De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,

  • 36En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.

  • Joz 11:2-3
    2 verzen
    69%

    2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

    3Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.

  • Joz 19:20-21
    2 verzen
    68%

    20En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,

    21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.

  • 19Ook waren onder de kinderen van Aaron, de priesteren, op de velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de priesteren en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven.

  • 36En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;

  • 23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

  • 30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;

  • 3Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het ganse land te doorzoeken.

  • 9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.

  • 7Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraim, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.

  • 29De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.

  • 31En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.

  • 46En Me-Jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.