Nehemia 7:30
De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
25De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;
26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
15En de kinderen van Benjamin werden te dien dage geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibea geteld werden, zevenhonderd uitgelezene mannen.
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.
23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
8En hij telde hen te Bezek; en van de kinderen Israels waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.
15Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.
7Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
4En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.
67Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
31Toen togen de kinderen van Benjamin uit, het volk tegemoet, en werden van de stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk, en te doorsteken, gelijk de andere malen, op de straten, waarvan de een opgaat naar het huis Gods, en de ander naar Gibea, in het veld, omtrent dertig man van Israel.
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;