Nehemia 7:31
De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.
23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.
21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;
22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
66Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
30De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
41De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig.
35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;