1 Kronieken 2:9
En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.
25De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
26Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
27En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmeel waren Maaz, en Jamin, en Eker.
28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.
5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
18Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;
19En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminadab;
18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
10Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.
43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
44Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.
1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
8En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.
20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.
21En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
3De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
3En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
33Den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda,
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.
31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.
27De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.
6En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.