1 Kronieken 9:6
En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
9En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.
5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;
43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.
10De kinderen van Simei nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; dezen waren de kinderen van Simei; vier.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
36De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig.
5En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
38Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
22De kinderen van Jehieli waren Zetham en Joel, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
13Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.
19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
7En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.
27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.
7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.
13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;
15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;