1 Kronieken 6:26
Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
28De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.
1Daar was een man van Ramathaim-Zofim, van het gebergte van Efraim, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, den zoon van Elihu, den zoon van Tochu, den zoon van Zuf, een Efrathiet.
24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
8En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz;
9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.
6En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
12En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;
13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;
15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
44Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismael, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
36En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
6Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.