1 Kronieken 6:27
Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
28De zonen van Samuel nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
1Daar was een man van Ramathaim-Zofim, van het gebergte van Efraim, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, den zoon van Elihu, den zoon van Tochu, den zoon van Zuf, een Efrathiet.
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
33Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaal.
39En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaal.
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
13En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,
11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;
12Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;
50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
36En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
11Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was den HEERE dienende voor het aangezicht van den priester Eli.
30Den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim,
6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
41En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.
9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
29Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeel.
27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
8En de zonen van Pallu waren Eliab.
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
20En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De HEERE geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den HEERE afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats.