1 Kronieken 15:9
Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Van de kinderen van Kehath was Uriel overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.
11En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
4Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehoenai, van de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen.
5Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.
17De kinderen van Eliezer nu waren dezen: Rehabja het hoofd; en Eliezer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste.
18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
19Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.
21Van de kinderen van Ladan, kinderen van den Gersonieten Ladan; van Ladan, den Gersoniet, waren hoofden der vaderen Jehieli.
22De kinderen van Jehieli waren Zetham en Joel, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
23En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, Jekameam de vierde.
8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
9En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.
13En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;
14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
11Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
13En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen.
12De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziel; vier.
8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
10En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen.
24En de kinderen van Eljoenai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven.
13Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.
13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
15Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
8En de zonen van Pallu waren Eliab.
6En van de kinderen van Zerah was Jeuel, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
17Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;
26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.
31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;