1 Kronieken 12:9

Statenvertaling (States Bible)

Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 78%

    3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

    4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;

    5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;

    6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;

    7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.

    8Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeen op de bergen in snelheid.

  • 8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.

  • 75%

    10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;

    11Attai de zesde; Eliel de zevende;

    12Johanan de achtste; Elzabad de negende;

    13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.

    14Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.

  • 16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.

  • 1Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.

  • 9En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiel; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.

  • 73%

    13En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,

    14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,

    15Ozem, den zesde, David, den zevende.

  • 73%

    19En Jakim, en Zichri, en Zabdi,

    20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

  • 7En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.

  • 73%

    46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

    47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

  • 39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

  • 15En Zebadja, en Arad, en Eder,

  • 36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,

  • 72%

    20Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.

    21En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.

  • 39En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde.

  • 9En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israel waren opgetogen.

  • 24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

  • 9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

  • 13En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.

  • 18Het elfde voor Azareel; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.

  • 71%

    3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

    4Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneel de vijfde.

  • 12De negende, in de negende maand, was Abiezer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

  • 22En Jispan, en Eber, en Eliel,

  • 9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.

  • 12En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.

  • 14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.

  • 28En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;

  • 14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.

  • 27Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.

  • 12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.

  • 9Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broederen, en zijn zonen, waren twaalf.

  • 37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 30En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;