Numeri 1:12
Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
25De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
13Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.
14Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.
15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
38Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
66Op den tienden dag offerde de overste der kinderen van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
42Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
35En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;
27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.
23En de zonen van Dan: Chusim.
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;
21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.
15Ahi, de zoon van Abdiel, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.
41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.
29En zij noemden den naam der stad Dan, naar den naam huns vaders Dan, die aan Israel geboren was; hoewel de naam dezer stad te voren Lais was.
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
14Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim.