Numeri 10:27
En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.
26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.
27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.
28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.
15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
16Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.
14Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.
15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
22Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
24En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
25Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
26En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
28Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
78Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
18Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.
19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
20En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;
26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
3Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.
13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.
34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.
26En Ahia, Hanan, Anan,
8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
32Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,