Numeri 13:8
Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.
16Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.
20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
5Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.
6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.
7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
23Hosea, Hananja, Hassub,
15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
28De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.
27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
44En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en Hosea, de zoon van Nun.
52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.
42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.
14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
18De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraim zijn.
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
22Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
38Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israel doen erven.