Numeri 13:7
Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.
Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.
8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
18Over Juda was Elihu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;
19Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriel;
20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.
5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.
28Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
17Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.
15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
1De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.
5En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
12Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.
28De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.
28En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;
13Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.
14Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.
27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
7Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;
21Aangaande Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.
23Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.