Numeri 13:15

Statenvertaling (States Bible)

Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 13:6-12
    7 verzen
    75%

    6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.

    7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.

    8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.

    9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.

    10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.

    11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.

    12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.

  • Num 2:14-15
    2 verzen
    74%

    14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.

    15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • 14Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.

  • 16Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.

  • Num 26:29-30
    2 verzen
    73%

    29De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.

    30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.

  • 14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

  • Num 1:9-10
    2 verzen
    71%

    9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

    10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.

  • 15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.

  • 20En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.

  • 4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.

  • Num 1:24-25
    2 verzen
    70%

    24Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.

    25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

  • 69%

    20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;

    21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;

  • 16En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.

  • 20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.

  • 17De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.

  • 69%

    13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.

    14De kinderen van Manasse waren Asriel, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.

  • 68%

    46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

    47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

  • 24En aan den stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes,

  • 7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.

  • 43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

  • 35Maar te Gibeon hadden gewoond Jeiel, de vader van Gibeon; de naam zijner zuster nu was Maacha.

  • 14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.

  • 18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.

  • 2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.

  • 68%

    15De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliezer.

    16Van de kinderen van Gersom was Sebuel het hoofd.

  • 24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 80En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,

  • 4De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;

  • 27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.

  • 23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.

  • 40Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.

  • 19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;

  • 43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.

  • 1Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,

  • 28Dit is het erfdeel der kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen.