Genesis 46:16
En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.
16Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;
17Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.
18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.
26En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.
14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
15Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
18Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.
21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
14Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
38De kinderen van Seir nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
12Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.
36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
17En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simei.
24Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.
25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
21En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.
3Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud,
26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.