1 Kronieken 7:27

Statenvertaling (States Bible)

Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ex 17:9-9 : 9 Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn. 10 Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels. 11 En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste. 12 Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging. 13 Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards. 14 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.
  • Ex 24:13 : 13 Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op den berg Gods.
  • Num 13:8 : 8 Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
  • Num 13:16 : 16 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.
  • Num 14:6 : 6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.
  • Num 27:18 : 18 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is; en leg uw hand op hem;
  • Deut 31:23 : 23 En Hij gebood Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Zijt sterk en heb goeden moed, want gij zult de kinderen Israels inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.
  • Hand 7:45 : 45 Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;
  • Heb 4:8 : 8 Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.
  • Ex 32:17 : 17 Toen nu Jozua des volks stem hoorde, als het juichte, zo zeide hij tot Mozes: Er is een krijgsgeschrei in het leger.
  • Num 11:28 : 28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 82%

    25En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;

    26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;

  • 24Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 74%

    26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;

    27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.

  • 8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.

  • 14Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

  • 71%

    28En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naaran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.

    29En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Thaanach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israel, gewoond.

  • 71%

    12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.

    13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.

  • 71%

    37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.

    38De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.

  • 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.

  • 10Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada,

  • 70%

    20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;

    21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;

  • 70%

    19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.

    20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;

  • 14Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia.

  • 52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;

  • Num 1:7-8
    2 verzen
    70%

    7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.

    8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.

  • 16Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.

  • 27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.

  • 3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoenai de zevende.

  • 11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;

  • 7Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden der priesteren, en hun broederen, in de dagen van Jesua.

  • Luk 3:26-27
    2 verzen
    69%

    26Den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semei, den zoon van Jozef, den zoon van Juda,

    27Den zoon van Johannes, den zoon van Rhesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiel, den zoon van Neri,

  • 37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;

  • 7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 7En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;

  • 34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,

  • 59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

  • 17De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.

  • 56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

  • 24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

  • 43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.

  • 7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,

  • 30Den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim,

  • 34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,

  • 37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;

  • 2Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub,

  • 7En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Hassenua;

  • 25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

  • 5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,

  • 11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.

  • 4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,