Numeri 1:7
Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
11En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.
14Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.
15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
3Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.
12Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.
19En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminadab;
20En Amminadab gewon Nahesson; en Nahesson gewon Salma;
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
2Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;
3En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;
4En Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;
5En Salmon gewon Booz bij Rachab, en Booz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;
17En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab.
32Den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Booz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson,
33Den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda,
34Den zoon van Jakob, den zoon van Izak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor,
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.
4Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
25Den zoon van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naum, den zoon van Esli, den zoon van Naggai,
26Den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semei, den zoon van Jozef, den zoon van Juda,
26Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;
27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.
8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.
2Ruben, Simeon, Levi, en Juda;
3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
4En Abisua, en Naaman, en Ahoah,
28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
7En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van Hassenua;
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
9En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan;
22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
30Den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim,
1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.