Numeri 13:12
Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.
9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.
10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.
11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.
14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.
15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.
25De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.
42Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
18Over Juda was Elihu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michael;
6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.
7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.
25Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
38Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.
13Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan;
20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.
2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
20Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;
16Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,
46Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
13En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer;
4Dan en Nafthali, Gad en Aser.
23En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;
5Ammiel de zesde, Issaschar de zevende, Peullethai de achtste; want God had hem gezegend.
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
1Dit nu zijn de namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde des wegs van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-Enon, de landpale van Damaskus, noordwaarts aan de zijde van Hamath (ook zal hij den oosterhoek en westerhoek hebben), zal Dan een snoer hebben.
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.